Vaccineren op maat: Titeren met de VacciCheck

AmpullenEen veelvoorkomend onderwerp van discussie is het al dan niet vaccineren van de kat. Waar de één zweert bij jaarlijks vaccineren, raakt de ander juist bezorgd door alle negatieve berichten over vaccinaties. En waarom vaccineren als de katten toch niet buiten komen?

 

Veel mensen weten niet dat er een derde optie is in dit debat, namelijk vaccineren op maat aan de hand van titeren. Ik wil in dit stuk graag meer duidelijkheid geven over deze derde optie. Wat is het en hoe betrouwbaar is het?

 

Wat is titeren?

Titeren is een begrip uit de geneeskunde. Het is een test om erachter te komen in hoeverre het lichaam antistoffen heeft tegen een bepaalde ziekte. Bij mensen wordt dit bijvoorbeeld gebruikt na de vaccinatie tegen Hepatitis B om te kijken of de vaccinatie goed is aangeslagen en eventuele her-vaccinatie nodig is[1].

 

Ook bij honden wordt de titerbepaling al enige tijd ingezet. CDV (Canine Distemper Virus), CPV (Canine Parvo Virus) en CAV (Canine Adeno Virus) zijn de drie ziekten waarbij getest kan worden in hoeverre de hond (nog) voldoende antistoffen heeft. Hiervoor wordt eenzelfde soort test ingezet als bij katten, namelijk de VacciCheck.

 

VacciCheck

VacciCheck is de meest voorkomende test voor de titerbepaling in zowel Nederland als het buitenland. Het is speciaal ontwikkeld om titerbepalingen dichterbij te brengen, zonder dat hierbij een laboratorium aan te pas hoeft te komen.

 

Bij de kat wordt een klein beetje bloed afgenomen. Dit gebeurt meestal uit de poot of het oor, omdat een druppel voldoende is. Vers bloed heeft de voorkeur, maar correct bewaard bloed, plasma of serum is ook mogelijk.

 

De test duurt een klein half uur, waarbij de “kam” een aantal keer van bakje wordt gewisseld. Het resultaat is een strookje met een aantal grijsgekleurde stippen. Bovenin de controlestip, vervolgens FPLV (Feline Panleukopenia/Parvo Virus, ofwel kattenziekte), FHV (Feline Herpes Virus) en FCV (Feline Calici Virus)(niesziekten).  Deze stippen worden vergeleken met een schaal en op basis van hoe donker ze zijn, wordt er een cijfer aan gekoppeld. [2]

 

Uitslag interpreteren

Onderstaande waarden kunnen komen uit de VacciCheck test. Bijbehorende adviezen gelden voor katten die al eerder zijn gevaccineerd en de leeftijd van twintig weken al hebben bereikt.

 

S0 en S1: negatief. In dit geval zijn er geen of niet voldoende antistoffen aanwezig in het lichaam. Dit is het punt waarop vaccineren zinvol is en dus overwogen kan worden.

 

S2: zwak positief. Aangeraden wordt om na maximaal twee jaar nogmaals te titeren.

 

S3 en S4: positief. Het dier hoeft pas na drie jaar opnieuw te worden getiterd.

 

S5 en hoger: hoog positief. Meestal wordt ook hier de richtlijn drie jaar gegeven, maar sommige studies geven een langere immuniteitsduur. Dit is dus nog een discussiepunt. [2][3]

 

Kittens

Kittens krijgen (over het algemeen) antistoffen mee vanuit de moeder, de zogenaamde maternale afweerstoffen. Gemiddeld raken deze antistoffen uitgewerkt tussen de zes en zestien weken, al blijven deze soms nog aanwezg tot de twintigste week.

 

Er is een kleinschalig onderzoek geweest, waarbij kittens werden gevaccineerd (en getiterd) op week acht, twaalf en zestien met een eind-titer op twintig weken. Bij 36,7% van de kittens was er op de twintigste week nog geen sprake van actieve immunsatie, wat zou betekenen dat de maternale antistoffen nog aanwezig waren (al dan niet in geringe mate).

 

Dit maakt het lastig om één duidellijke richtlijn te maken voor het juiste moment van vaccinatie, omdat het per kat dus zo verschillend kan zijn. Bij kittens wordt dan ook aangeraden om vanaf een leeftijd van zes tot acht weken regelmatig te titeren en pas te denken aan vaccinatie als de titer een waarde van S1 of S0 geeft. Vaccineren bij waardes boven S1 is niet effectief. Wanneer dit wel gebeurt, kan dit een vals gevoel van bescherming (en dus veiligheid) geven.

 

Als het moederdier bij de bevalling zelf niet over antistoffen beschikte, worden deze evengoed niet doorgegeven aan de kittens. Een tijdige titer kan dan aangeven in hoeverre de kittens überhaupt al beschermd zijn, zodat tijdig kan worden gevaccineerd. [2][4][8]

 

Betrouwbaarheid

Een groot discussiepunt bij de titerbepaling is de betrouwbaarheid. Hier is uitvoerig onderzoek naar gedaan, en daar zijn de volgende percentages uitgekomen [5][6]:

 

  Sensitiviteit Specificiteit
FPLV (kattenziekte) 89% 98%
FHV (niesziekte) 93% 96%
FCV (niesziekte) 90% 91%

 

Om deze tabel beter te begrijpen, zullen de twee begrippen sensitiviteit en specificiteit beter moeten worden uitgelegd.

 

Sensitiviteit

Deze waarde geeft aan hoeveel van de positieve waarden (dus dieren met antistoffen) er ook daadwerkelijk worden uitgepikt (ook wel echt positieve waarden genoemd). Een lagere sensitiviteit heeft als gevolg dat dieren die wél antistoffen hebben een negatieve uitslag krijgen (ook wel fout-negatief genoemd).

 

Specificiteit

Deze waarde geeft aan hoeveel van de negatieve waarden (dus dieren zonder antistoffen) er ook daadwerkelijk worden uitgepikt (ook wel echt negatieve waarden genoemd). Een lagere sensitiviteit heeft als gevolg dat dieren die geen antistoffen hebben een positieve uitslag krijgen (ook wel fout-positief genoemd).

 

Bescherming

De sensitiviteit van 89% bij FPLV wordt met enige regelmaat gebruikt om aan te geven dat de test niet betrouwbaar zou zijn en vaccineren dus de voorkeur heeft boven titeren. Het zou namelijk aangeven dat ongeveer 1 op de 10 katten onbeschermd door de VacciCheck zou komen met het idee dat deze wel beschermd is.

 

Zoals hierboven aangegeven, geeft de sensitiviteit enkel de betrouwbaarheid aan van de test bij dieren met antistoffen. Dit staat dus los van de specificiteit, de waarde die aangeeft dat dieren geen antistoffen meer hebben en dus niet beschermd zijn. De claim dat 11% van de dieren dus onbeschermd door de VacciCheck zouden komen, klopt dus niet.

 

Om dit wat te verduidelijken, volgen nu van zowel sensitiviteit als specificiteit een voorbeeld:

 

Voorbeeld sensitiviteit: Bij FPLV staat een sensitiviteit van 89%.

 

Stel er worden 100 katten getest waarvan bekend is dat deze wel antistoffen hebben tegen FPLV. Een sensitiviteit van 89% zal er dan voor zorgen dat bij 11 van deze katten alsnog een negatief resultaat wordt gegeven, ondanks dat dit positief zou moeten zijn.

 

Het gevolg: 11 katten (11%) worden onnodig gevaccineerd.

 

Voorbeeld specificiteit: Bij FPLV staat een specificiteit van 98%.

 

Stel er worden 100 katten getest waarvan bekend is dat deze geen antistoffen hebben tegen FPLV. Een specificiteit van 98% zal er dan voor zorgen dat bij 2 van deze katten alsnog een positief resultaat wordt gegeven, ondanks dat dit negatief zou moeten zijn.

 

Het gevolg: 2 katten (2%) blijven onbeschermd[7]

 

Niesziekte

Ook niesziekte is een punt waar vaak discussie over komt. De uitslag van de titer wordt hierbij vaak genegeerd, omdat de titer geen betrouwbaar beeld geeft over de bescherming van de kat tegen deze virussen.

 

Dit is “de klok wel horen luiden maar niet weten waar de klepel hangt”. Het punt van titeren is namelijk niet het aangeven van bescherming, maar het tonen van het nut van vaccinatie. Dit is een groot verschil en dat verschil moet duidelijk zijn.

 

In tegenstelling tot bij FPLV, is er bij FHV en FCV geen verband tussen antistoffen en bescherming. Het klopt in die zin dus dat een positieve titer geen beeld geeft over de bescherming tegen deze virussen. Dat gezegd hebbende: De titer geeft wel een betrouwbaar beeld over aanwezige antistoffen en daarbij dus ook een betrouwbaar beeld over het nut van vaccineren.

 

Bewezen is dat vaccinaties in de regel hun werk niet kunnen doen als het lichaam nog voldoende antistoffen heeft. Het vaccin zal dan worden bestreden voor het überhaupt zijn werk kan doen. Vaccineren bij aanwezige antistoffen heeft dus geen nut, waardoor de VacciCheck dus wel een betrouwbaar beeld geeft over het al dan niet zinvol zijn om te vaccineren. [4][5][6]

 

Conclusie

De specificiteit ligt bij alledrie erg hoog, namelijk boven de 90% (en bij FPLV en FHV zelfs boven de 95%). De kans dat een onbeschermde kat er tussendoor glipt is dus erg klein. Persoonlijk vind ik dit de meest belangrijke waarden.

 

De sensitiviteit ligt wat lager dan de specificiteit. Het risico dat een beschermde kat dus alsnog wordt gevaccineerd, is hierdoor wat hoger. Nu is het alleen bij vaccineren ook nog maar de vraag hoe hoog deze percentages zijn, maar daar wordt geen onderzoek naar gedaan.

 

Titeren met de VacciCheck is dus een betrouwbare manier om te achterhalen of vaccineren zinvol is.

 

Benieuwd geworden? Kijk dan hier voor een overzicht van dierenartsen die titeren.

Kat silhouette

Bronnen

[1] Richtlijnen Hepatitis B volgens het RIVM (link)

[2] Handleiding VacciCheck (link)

[3] Long-term immunity in cats vaccinated with an inactivated trivalent vaccine (1999 – abstract)

[4] Guidelines for the vaccination of dogs and cats compiled by the Vaccination Guidelines Group (VGG) of the World Small Animal Veterinary Association (WSAVA) (2015) (PDF)

[5] Sensitivity-specificity and accuracy of the ImmunoComb® Feline VacciCheck Antibody Test Kit for Feline Calici, Herpes and Panleukopenia Viruses (2011) (PDF)

[6] Detection of protective antibody titers against feline panleukopenia virus, feline herpesvirus-1, and feline calicivirus in shelter cats using a point-of-care ELISA (2011) (PDF)

[7] Understanding and using sensitivity, specificity and predictive values. (link)

[8] Vaccination against Feline Panleukopenia: implications from a field study in kittens (link)

Vond je dit artikel interessant?
Meld je dan aan voor meer tips en de nieuwste blogs.
Plus de download "In 4 stappen kattenvoer beoordelen".

*Geen spam!

Wist je dat... Je kunt PurrfectCat ook volgen op Facebook!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *